“Om tot één nieuw ras te komen moeten vaak 30 verschillende tomatensoorten gekruist worden”. Seed Valley stond afgelopen weekend in de Belgische krant Het Nieuwsblad, in de rubriek ‘Zo werkt dat’. Syngenta collega Rik Lootens legt meer uit over het proces van zaad naar tomaat.

Maart staat voor de deur: het startschot om tomaten te gaan zaaien in piepschuimen bakjes of plastic potjes op de vensterbank. Stond je er ooit bij stil dat achter dat zakje zaad, daar in het draaiende rekje van een tuincentrum, vaak zeven jaar aan onderzoek en ontwikkeling zit? Of dat zo’n lekker snacktomaatje niet bedacht is door moeder natuur, maar door iemand achter een bureau?

Tomatenzaadjes 

  • Er is gemiddeld zeven jaar aan research, kruisingen en groei nodig voor er zaadjes van een nieuwe tomatensoort in de winkel liggen.
  • Een tomaat van 100 gram bevat 2 gram zaad.
  • In de kassen mag je enkel binnen met speciale veiligheidspakken, om te voorkomen dat er ziektes of stuifmeel van andere planten de productie ‘vervuilen’.
  • Om tot één nieuw ras te komen moeten vaak 30 verschillende tomatensoorten gekruist worden.

Nadenken in Nederland
Zo goed als álle zaadjes die je vandaag koopt voor snackomaatjes, bruine tomaten, pruimtomaten, gele tomaten, … zijn het resultaat van denkwerk aan een bureau. Doorgaans ontwikkeld door bedrijven met Nederlandse roots – de wereldwijde koploper in die branche, met zelfs een regio die de naam ‘Seed Valley’ kreeg – die jaren geleden een nieuw ras bedachten. “Tot 1995 had je in principe maar drie verschillende tomaten in de handel: grote, iets minder grote en nog wat kleinere. Punt”, zegt Rik Lootens van producent Syngenta Seeds. “Maar de consument wilde weleens iets anders, en eerst werden er trostomaten aan het gamma toegevoegd. Daarna volgden er nog veel meer, in alle mogelijke vormen, kleuren en smaken. 

 “Maar die nieuwe rassen werden niet zomaar uit een kastje gehaald”, zegt Lootens. “Die zijn – los van de zogenaamde ‘oerrassen’ – het gevolg van jarenlange research en ontwikkeling. Opgestart van zo goed als nul, dus. Reken maar op gemiddeld zeven jaar werk. Zo bedachten wij bijvoorbeeld vijftien jaar geleden die kleine snacktomaatjes. Die bestonden op dat moment nog niet, maar wij vermoedden toen dat consumenten die almaar meer op zoek waren naar gemak, ze wel handig zouden vinden bij het aperitief of op kantoor. Vandaag zijn ze niet meer weg te denken, en werken wij al aan wat de consument in pakweg 2030 zal willen, maar wat momenteel nog niet bestaat. Zo zit er nu al lycopeen in tomaten, wat goed is tegen prostaatkanker, maar je kan er misschien wel een maken die er nog veel meer bevat. Of soorten die nog veel duurzamer geteeld kunnen worden. Of die nog beter om kunnen met het veranderende klimaat. Allemaal uitdagingen.” 

Lees het hele artikel hier.